VERKORTING VAN ARM OF BEEN (REDUCTIEDEFECTEN)


Bij een reductiedefect is er sprake van een afwijking aan één deel van het lichaam, bijvoorbeeld één been of één arm. Er kunnen ook meer afwijkingen voorkomen. Voorbeelden van reductiedefecten zijn:

  • een afwijking van de heup waardoor het bovenbeen korter is.
  • een afwijking in het onderbeen, knie en voet, waarbij de kuit niet of niet helemaal is aangelegd. Het onderbeen is dan korter en er zit soms een bocht in. De voet is vaak smaller en er zijn minder dan vijf tenen, vaak zijn ook de knie en enkel niet normaal gevormd.
  • een afwijking waarbij het been en ook de onderarm korter zijn.

Een reductiedefect kan ontstaan tijdens de zwangerschap van de moeder, of als gevolg van een operatie. Een amputatie kan nodig zijn om het leven van het kind te redden, bijvoorbeeld bij een ernstige ziekte. Soms wordt een amputatie uitgevoerd om een ernstige vervorming van het been te verwijderen, zodat het kind met behulp van een prothese weer goed kan lopen.

Soms is een operatie in het eerste levensjaar nodig zodat het kind kan leren staan en lopen, met of zonder een prothese of speciale schoenen. Vaak wordt gewacht met een prothese tot het kind is uitgegroeid. Daarna kan met een operatie het been langer worden gemaakt. Een klein deel van de kinderen zal in zijn leven vooral gebruik maken van een rolstoel of een aangepaste fiets.


Gevolgen voor het onderwijs

De school zal toegankelijk moeten zijn voor kinderen met een reductiedefect, denk aan aanpassingen van de entree, het toilet of het meubilair. Het is belangrijk dat er meegedaan kan worden met gymnastiek. Deze leerlingen zullen regelmatig verzuimen door ziekenhuisbezoek of therapie. Soms wordt er medicatie gebruikt. Docenten en leerkrachten moeten oog hebben voor de sociaal emotionele ontwikkeling, soms is begeleiding bij handicapverwerking aan de orde. Ook kan er sprake zijn van leerproblemen.

Ons aanbod