SYNDROOM VAN DOWN


Het syndroom van Down is een aangeboren beperking en wordt ook wel Trisomie 21 genoemd. In iedere cel zijn namelijk 3 in plaats van 2 chromosomen 21 aanwezig. In totaal zijn er 47 in plaats van 46 chromosomen.

Qua intelligentie zijn er grote verschillen. Iemand met het Downsyndroom kan behoorlijk intelligent zijn of juist een lage intelligentie hebben. In een klein aantal gevallen is er sprake van een erfelijke oorzaak. Kenmerkend is het mongoloïde gelaat en een vaak klein en gedrongen postuur. Aangeboren hartafwijkingen en afwijkingen aan de voet, knie, heup en wervelkolom komen veel voor. Ook kan er sprake zijn van schildklierziekten, diabetes en coeliakie. Kinderen met het Downsyndroom zijn over het algemeen later zindelijk dan andere kinderen.


Tips voor leerkrachten en docenten:
  • Gebruik zoveel mogelijk dezelfde gedragsregels als voor de andere kinderen. Geef uitleg door middel van een getekend verhaal en/of pictogrammen (visualiseer waar nodig).
  • Visualiseer verwachte handelingen/opdrachten en de dagindeling met behulp van pictogrammen.
  • Ondersteun het leren praten door pictolezen en/of door het visualiseren van woorden met gedrukte globaal-woorden (methode LeesPraat). Deze globaalwoorden helpen bij het leren lezen.
  • Hou er rekening mee dat rekenen meestal later tot ontwikkeling komt.
  • Bied zelfstandig werken stap voor stap aan en visualiseer met pictogrammen en een taakrooster.
  • Ga voor meer informatie naar de pagina verstandelijke beperking
Gevolgen voor het onderwijs

Het is belangrijk om te weten dat deze kinderen over het algemeen meer tijd nodig hebben voor het omschakelen van de ene naar de andere handeling of activiteit. Het leergedrag is niet altijd optimaal. Vaak wordt veel energie gestoken in het vermijden van eisen die als moeilijk worden ervaren. Hierbij helpt het om kleine stapjes in te bouwen en de leerling beperkt een eigen keuze te geven.

Ons aanbod